rijtuig
zelfstandig naamwoordBetekenis
- wagen die door een of meer paarden getrokken wordt
- een van de wagens van trein of tram, treinwagon, tramwagon
- in meer algemene zin elk tuig waarmee kan worden gereden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rijtuigen | meervoud |
| rijtuigje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rijtuigjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘door paarden getrokken voertuig voor mensen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1681
Woordfamilie van rijtuig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rijtuigen | meervoud | rijtuig |
| rijtuigje | verkleinwoord | rijtuig |
| rijtuigjes | verkleinwoord meervoud | rijtuig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijtuig zijn vastgelegd.