rijstoel
zelfstandig naamwoord ˈrɛistulBetekenis
- stoel met wielen, waarop iemand die niet in staat is om te lopen, zich kan voortbewegen, of voortbewogen kan worden
Hoe spreek je rijstoel uit?
/ˈrɛistul/
Rijstoel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| t | tak |
| u | boek |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rijstoelen | meervoud |
| rijstoeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rijstoeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van rij ww "van rijden" en stoel zn "zetel"
Woordfamilie van rijstoel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rijstoelen | meervoud | rijstoel |
| rijstoeltje | verkleinwoord | rijstoel |
| rijstoeltjes | verkleinwoord meervoud | rijstoel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijstoel zijn vastgelegd.