revancheren
werkwoordBetekenis
- zich ~ een eerdere nederlaag tenietdoen
Vervoeging van revancheren
revancherenhele werkwoord — gerevancheerdvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gerevancheerd | verleden tijd, deelwoord |
| revancheer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| revancheer u/je , revancheert je | gebiedende wijs |
| revancheerde | verleden tijd |
| revancheerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| revancheerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| revancheerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| revancheerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| revancheerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| revancheerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| revancheerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| revancheerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| revancheerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| revancheerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| revancheert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| revancheert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| revancheert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| revancheert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| revancheert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| revancheert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| revanchere zich | aanvoegende wijs |
| revancheren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| revancheren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| revancheren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me revancheren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich revancheren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je revancheren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gerevancheerd hebben | verleden tijd |
| zich revancherend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je revancheren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons revancheren | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich revancheren | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u revancheren | tweede persoon |
| zult u revancheren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u revancheren | tweede persoon |
| zult zich/u revancheren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van het Franse revancher (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van revancheren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerevancheerd | voltooid deelwoord | revancheren |
| revancheer | woordvorm | revancheren |
| revancheerde | verleden tijd | revancheren |
| revancheerden | woordvorm | revancheren |
| revancheert | woordvorm | revancheren |
| revanchere | woordvorm | revancheren |
| revancherend | woordvorm | revancheren |
| revancherende | woordvorm | revancheren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van revancheren zijn vastgelegd.