reiziger
zelfstandig naamwoord /ˈrɛɪzəɣər/Betekenis
- iemand die bezig is een reis te maken
- iemand die gewoon is reizen te maken
- iemand uit een familie die rondreist en zijn geld verdient op evenementen ter vermaak van mensen, bv een lid van een circus of een kermisexploitant; ook wel woonwagenbewoner.
Hoe spreek je reiziger uit?
/ˈrɛizəxər/
Reiziger bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| ə | de |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| reizigers | meervoud |
| reizigertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| reizigertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘die reist’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van reiziger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| reizigers | meervoud | reiziger |
| reizigertje | verkleinwoord | reiziger |
| reizigertjes | verkleinwoord meervoud | reiziger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van reiziger zijn vastgelegd.