reisplan
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het plan om op reis te gaan
- het plan van de voorgenomen reis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| reisplannen | meervoud |
| reisplannetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| reisplannetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van reis zn en plan zn
Woordfamilie van reisplan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| reisplannen | meervoud | reisplan |
| reisplannetje | verkleinwoord | reisplan |
| reisplannetjes | verkleinwoord meervoud | reisplan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van reisplan zijn vastgelegd.