recorder
zelfstandig naamwoordBetekenis
- toestel voor het opnemen en weergeven van informatie (elektrische signalen), hetzij in analoge hetzij in digitale vorm
- opnemer
- blokfluit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| recorders | meervoud |
| recordertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| recordertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘toestel voor weergave van geluid’ voor het eerst aangetroffen in 1897
Woordfamilie van recorder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| recorders | meervoud | recorder |
| recordertje | verkleinwoord | recorder |
| recordertjes | verkleinwoord meervoud | recorder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van recorder zijn vastgelegd.