quasimodo
zelfstandig naamwoord ˌkwaziˈmodoBetekenis
- de eerste zondag na pasen
- een misvormd persoon
Hoe spreek je quasimodo uit?
/ˌkwaziˈmodo/
Quasimodo bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| w | quiz |
| a | maan |
| z | zon |
| i | riet |
| m | maan |
| o | boot |
| d | dak |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- eerste zondag na Pasen
- iemand of iets met een grote bochel of een vergelijkbare afstotelijke vorm
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Herkomst
[1] van Latijn: Quasi modo geniti infantes…, "Zoals pasgeboren kinderen", de beginwoorden uit de introïtus van de Tridentijnse mis die op de zondag na Pasen wordt opgedragen, een verwijzing naar 1 Petrus 2:2 in de Bijbel
Woordfamilie van quasimodo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| quasimodo's | meervoud | quasimodo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van quasimodo zijn vastgelegd.