purper
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ˈpʏrpərBetekenis
- een paarsige kleur
- hebbend
Hoe spreek je purper uit?
/ˈpʏrpər/
Purper bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| purpers | meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- de kleur purper hebbend
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van purperen
- gebiedende wijs van purperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van purperen
Vervoeging van purper
purperhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘paarsrode kleur’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van purper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| purpers | meervoud | purper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van purper zijn vastgelegd.