puntstuk
zelfstandig naamwoordBetekenis
- onderdeel voor het verbinden van twee buizen
- een meerhoekig vlak op een weggedeelte, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen
- (in een spoorwegwissel:) het punt waar twee spoorstaven elkaar kruisen
- het onderste gedeelte van de buis van een geslagen waterbron voor het oppompen van grondwater
zelfstandig naamwoord — neuter
- het punt waar twee spoorstaven elkaar kruisen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| puntstukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| puntstukjes | verkleinwoord, meervoud |
| puntstukken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van punt en stuk
Woordfamilie van puntstuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| puntstukje | verkleinwoord | puntstuk |
| puntstukjes | verkleinwoord meervoud | puntstuk |
| puntstukken | meervoud | puntstuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van puntstuk zijn vastgelegd.