punteren
werkwoord /ˈpɵn.tə.rə(n)/Betekenis
- met een punter varen
- een voetbal met de punt van de voet trappen
- een noot met een punt verlengen
Hoe spreek je punteren uit?
/ˈpɵntərən/
Punteren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɵ | put |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een voetbal met de punt van de voet trappen, wat een weinig trefzeker schot oplevert
Vervoeging van punteren
punterenhele werkwoord — gepunterdvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] púnteren | canonical |
| gepunterd | verleden tijd, deelwoord |
| punterde | verleden tijd |
werkwoord
- stippels zetten
Vervoeging van punteren
punterenhele werkwoord — gepunteerdvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [C] puntéren | canonical |
| gepunteerd | verleden tijd, deelwoord |
| punteerde | verleden tijd |
Woordfamilie van punteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepunteerd | voltooid deelwoord | punteren |
| gepunteerde | woordvorm | punteren |
| gepunterd | voltooid deelwoord | punteren |
| gepunterde | woordvorm | punteren |
| punteer | woordvorm | punteren |
| punteerde | verleden tijd | punteren |
| punteerden | woordvorm | punteren |
| punteert | woordvorm | punteren |
| punterde | verleden tijd | punteren |
| punterden | woordvorm | punteren |
| puntere | woordvorm | punteren |
| punterend | woordvorm | punteren |
| punterende | woordvorm | punteren |
| puntert | woordvorm | punteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van punteren zijn vastgelegd.