protocol
zelfstandig naamwoordBetekenis
- geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
- geheel van regels en afspraken voor het uitwisselen van gegevens tussen verschillende computers in netwerken
- geheel van regels en afspraken voor het uitvoeren van een procedure of meting
zelfstandig naamwoord — neuter
- inleidend deel van een oorkonde, met de namen van de oorkonder en die van degene voor wie het stuk bestemd is en een groetformule
- oorkondenboek, d.w.z. boek waarin minuten van oorkonden zijn ingeschreven
- de gezamenlijke akten van een notaris, zijn archief; notarisprotocol
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| protocollen | meervoud |
| protocolletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| protocolletjes | verkleinwoord, meervoud |
| protocols | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘ceel, akte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477.
Woordfamilie van protocol
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| protocollen | meervoud | protocol |
| protocolletje | verkleinwoord | protocol |
| protocolletjes | verkleinwoord meervoud | protocol |
| protocols | meervoud | protocol |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van protocol zijn vastgelegd.