prostaat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een klier tussen de blaas en de penis van de man
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| prostaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| prostaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| prostaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorstanderklier’ voor het eerst aangetroffen in 1923
Woordfamilie van prostaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prostaatje | verkleinwoord | prostaat |
| prostaatjes | verkleinwoord meervoud | prostaat |
| prostaten | meervoud | prostaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prostaat zijn vastgelegd.