proosdij
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de ambtswoning van een proost
- een wereldlijk gebied bestuurd door een abt of proost
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| proosdijen | meervoud |
| proosdijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| proosdijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘waardigheid van proost’ voor het eerst aangetroffen in 1296
Woordfamilie van proosdij
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| proosdijen | meervoud | proosdij |
| proosdijtje | verkleinwoord | proosdij |
| proosdijtjes | verkleinwoord meervoud | proosdij |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van proosdij zijn vastgelegd.