producer
zelfstandig naamwoord proˈdjuːsərBetekenis
- iemand die de zakelijke en technische leiding heeft bij het maken van een muziekopname, film, televisieprogramma, theatervoorstelling
Hoe spreek je producer uit?
/proˈdjusər/
Producer bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| o | boot |
| d | dak |
| j | ja |
| u | boek |
| s | sok |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| producers | meervoud |
| producertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| producertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘zakelijk, technisch leider van voorstellingen, films e.d.’ voor het eerst aangetroffen in 1968
Woordfamilie van producer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| producers | meervoud | producer |
| producertje | verkleinwoord | producer |
| producertjes | verkleinwoord meervoud | producer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van producer zijn vastgelegd.