prisma
zelfstandig naamwoordBetekenis
- lichaam, begrensd door twee evenwijdige vlakken en drie of meer zijvlakken met evenwijdige snijlijnen
- prisma van doorschijnend materiaal voor het breken of afbuigen van lichtstralen
- prisma
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| prisma's | meervoud |
| prismaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| prismaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| prismata | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kantzuil’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1778
Woordfamilie van prisma
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prisma's | meervoud | prisma |
| prismaatje | verkleinwoord | prisma |
| prismaatjes | verkleinwoord meervoud | prisma |
| prismata | meervoud | prisma |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prisma zijn vastgelegd.