practicum
zelfstandig naamwoordBetekenis
- praktisch werk van leerlingen of studenten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| practica | meervoud |
| practicumpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| practicumpjes | verkleinwoord, meervoud |
| practicums | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘praktisch werk van studenten’ voor het eerst aangetroffen in 1909
Woordfamilie van practicum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| practicumpje | verkleinwoord | practicum |
| practicumpjes | verkleinwoord meervoud | practicum |
| practicums | meervoud | practicum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van practicum zijn vastgelegd.