poëet
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die dichtkunst voorbrengt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| poëetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| poëetjes | verkleinwoord, meervoud |
| poëten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘dichter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van poëet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| poëetje | verkleinwoord | poëet |
| poëetjes | verkleinwoord meervoud | poëet |
| poëten | meervoud | poëet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van poëet zijn vastgelegd.