polo
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- balsport, van Engelse oorsprong, gespeeld met houten hamers voor twee ploegen in principe te paard (paardenpolo)
- waterpolo
- T-shirt met korte mouwen en een overhemdkraag, poloshirt, polotruitje
- pool
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| polo's | enkelvoud |
| polootje | verkleinwoord, derde persoon |
| polootjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poloën
- gebiedende wijs van poloën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poloën
Vervoeging van polo
polohele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘balspel’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van polo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| polo's | enkelvoud | polo |
| polootje | verkleinwoord, 3e persoon | polo |
| polootjes | verkleinwoord | polo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van polo zijn vastgelegd.