pizza
zelfstandig naamwoord ˈpitsaBetekenis
- een gerecht van een belegde broodbodem
- vervelend iemand, saai persoon
- vervelend iets, saaie boel
Hoe spreek je pizza uit?
/ˈpitsa/
Pizza bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| i | riet |
| t | tak |
| s | sok |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- gerecht van een belegde broodbodem
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pizza's | meervoud |
| pizzaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pizzaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Italiaans pizza, in de betekenis van ‘hartige koek’ voor het eerst aangetroffen in reisverslagen van de 19e eeuw, zie vindplaatsen hieronder.
Woordfamilie van pizza
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pizza's | meervoud | pizza |
| pizzaatje | verkleinwoord | pizza |
| pizzaatjes | verkleinwoord meervoud | pizza |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pizza zijn vastgelegd.