permitteren
werkwoordBetekenis
- toestaan, permissie geven
werkwoord
- zich iets kunnen veroorloven
Vervoeging van permitteren
permitterenhele werkwoord — gepermitteerdvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gepermitteerd | verleden tijd, deelwoord |
| permitteer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| permitteer u/je , permitteert je | gebiedende wijs |
| permitteerde | verleden tijd |
| permitteerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| permitteerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| permitteerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| permitteerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| permitteerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| permitteerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| permitteerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| permitteerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| permitteerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| permitteerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| permitteert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| permitteert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| permitteert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| permitteert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| permitteert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| permitteert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| permittere zich | aanvoegende wijs |
| permitteren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| permitteren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| permitteren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me permitteren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich permitteren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je permitteren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gepermitteerd hebben | verleden tijd |
| zich permitterend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je permitteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons permitteren | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich permitteren | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u permitteren | tweede persoon |
| zult u permitteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u permitteren | tweede persoon |
| zult zich/u permitteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘toestaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546
Woordfamilie van permitteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| permitteer | woordvorm | permitteren |
| permitteerde | verleden tijd | permitteren |
| permitteerden | woordvorm | permitteren |
| permitteert | woordvorm | permitteren |
| permittere | woordvorm | permitteren |
| permitterend | woordvorm | permitteren |
| permitterende | woordvorm | permitteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van permitteren zijn vastgelegd.