pentaëder
zelfstandig naamwoordBetekenis
- regelmatig vijfvlak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pentaëders | meervoud |
| pentaëdertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pentaëdertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘prisma met gelijkzijdige driehoeken als eindvlak, vijfvlak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
Woordfamilie van pentaëder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pentaëders | meervoud | pentaëder |
| pentaëdertje | verkleinwoord | pentaëder |
| pentaëdertjes | verkleinwoord meervoud | pentaëder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pentaëder zijn vastgelegd.