pauze
zelfstandig naamwoord /ˈpɑʊzə/Betekenis
- tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
- onderbreking van iets in het algemeen
Hoe spreek je pauze uit?
/ˈpɑʊzə/
Pauze bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| ʊ | boek |
| z | zon |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pauzen | meervoud |
| pauzes | meervoud |
| pauzetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pauzetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rustpoos’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1482
Woordfamilie van pauze
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pauzen | meervoud | pauze |
| pauzes | meervoud | pauze |
| pauzetje | verkleinwoord | pauze |
| pauzetjes | verkleinwoord meervoud | pauze |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pauze zijn vastgelegd.