pastoor
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een lid van de katholieke geestelijkheid die zich aan de zielzorg van zijn parochie wijdt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pastoors | meervoud |
| pastoortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pastoortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘hoofd van parochie’ voor het eerst aangetroffen in 1475
Woordfamilie van pastoor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pastoors | meervoud | pastoor |
| pastoortje | verkleinwoord | pastoor |
| pastoortjes | verkleinwoord meervoud | pastoor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pastoor zijn vastgelegd.