parking
zelfstandig naamwoord ˈpɑrkɪŋBetekenis
- gebied ingericht voor het tijdelijk plaatsen van motorvoertuigen
- parkeerplaats
Hoe spreek je parking uit?
/ˈpɑrkɪŋ/
Parking bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| k | kat |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| parkings | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘parkeerterrein’ voor het eerst aangetroffen in 1975
Woordfamilie van parking
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| parkings | meervoud | parking |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van parking zijn vastgelegd.