paraplu
zelfstandig naamwoord ˌparaˈplyBetekenis
- een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
- iets met de vorm van een paraplu maar met een andere functie
Hoe spreek je paraplu uit?
/ˌparaˈply/
Paraplu bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
| l | land |
| y | fuut |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iets met de vorm van het bij [1] genoemde, maar met een andere functie
- overkoepelend geheel figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paraplu's | meervoud |
| parapluutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| parapluutjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van het Franse parapluie. In de betekenis van ‘regenscherm’ voor het eerst aangetroffen in 1786 (met het voorvoegsel para-)
Woordfamilie van paraplu
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paraplu's | meervoud | paraplu |
| parapluutje | verkleinwoord | paraplu |
| parapluutjes | verkleinwoord meervoud | paraplu |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paraplu zijn vastgelegd.