paradigma
zelfstandig naamwoordBetekenis
- model, voorbeeld
- een reeks van verbogen of vervoegde vormen, allemaal met hetzelfde grondwoord
- een samenhangend geheel van theorieën en modellen
- door de leden van een bepaalde samenleving gedeelde constellatie van overtuigingen, waarden en handelwijzen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paradigma's | meervoud |
| paradigmaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paradigmaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| paradigmata | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘voorbeeld’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van paradigma
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paradigma's | meervoud | paradigma |
| paradigmaatje | verkleinwoord | paradigma |
| paradigmaatjes | verkleinwoord meervoud | paradigma |
| paradigmata | meervoud | paradigma |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paradigma zijn vastgelegd.