paprika
zelfstandig naamwoord ˈpaprikaBetekenis
- een bepaalde gekweekte vorm van de Capsicum annuum
- de vrucht van deze plant
- paprika (plant)
- paprika (vrucht)
- paprikapoeder (kruid)
Hoe spreek je paprika uit?
/ˈpaprika/
Paprika bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
| i | riet |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
- vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paprika's | meervoud |
| paprikaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paprikaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘plant, specerij’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1902
Woordfamilie van paprika
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paprika's | meervoud | paprika |
| paprikaatje | verkleinwoord | paprika |
| paprikaatjes | verkleinwoord meervoud | paprika |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paprika zijn vastgelegd.