paleolithicum
zelfstandig naamwoord /ˈpalejoˌlitikʏm/Betekenis
- eerste periode van de steentijd, waarin mensen alleen door voedsel verzamelen en jacht in hun bestaan voorzien en eenvoudige werktuigen maakten door schilfers van stenen af te slaan, waar vanaf 3,3 miljoen jaar geleden aanwijzingen voor zijn, tot de tijd dat men ook planten ging zaaien, dieren ging houden en samengestelde stenen werktuigen maakte, waarvan na 20.000 voor Chr. de eerste voorbeelden worden gevonden
Hoe spreek je paleolithicum uit?
/ˈpalejoˌlitikʏm/
Paleolithicum bestaat uit zes lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| l | land |
| e | veel |
| j | ja |
| o | boot |
| i | riet |
| t | tak |
| k | kat |
| ʏ | put |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Klinkt hetzelfde als palaeolithicum.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Vóór 1955 was de officiële spelling Palaeolithicum. | |
| Vóór 2006 was de officiële spelling Paleolithicum. |
Herkomst
van Engels Paleolithic met het achtervoegsel -icum, als naam voor het tijdperk in 1865 voorgesteld door de 19e-eeuwse Engelse archeoloog J. Lubbock gevormd uit Oudgrieks παλαιός (palaiós) "oud" en λίθος (líthos) "steen", dus: "oude steentijd", in deze betekenis in het Nederlands aangetroffen vanaf 1925
Woordfamilie van paleolithicum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Palaeolithicum | woordvorm | paleolithicum |
| Paleolithicum | neuter | paleolithicum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paleolithicum zijn vastgelegd.