pal
zelfstandig naamwoord, bijwoordBetekenis
- een onderdeel van een mechanisme om terugdraaien te beletten, stuitpin
- onbeweeglijk
- direkt, zonder tussenruimte
- onbeweegbaar
- staak, paal
- kameraad, makker, vriend
- hitte, warmte
- het branden
- žár
- pálení
- vuur!; een signaal om te schieten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pallen | meervoud |
| palletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| palletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vast’ voor het eerst aangetroffen in 1611
Woordfamilie van pal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pallen | meervoud | pal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pal zijn vastgelegd.