ouderling
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een functie binnen een kerkelijke gemeenschap, lid van de kerkenraad
- oud persoon in het algemeen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ouderlingen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘protestants kerkelijk ambtsdrager’ voor het eerst aangetroffen in 1590
Woordfamilie van ouderling
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ouderlingen | meervoud | ouderling |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ouderling zijn vastgelegd.