ouderdag
zelfstandig naamwoord ˈɑudərdɑxBetekenis
- dag die iemand speciaal aan zijn of haar taken als ouder besteedt
- dag die speciaal in het teken van ouders staat
- dag dat ouders iets kunnen bezoeken waar hun kinderen werken, studeren of anderszins aan deelnemen
Hoe spreek je ouderdag uit?
/ˈɑudərdɑx/
Ouderdag bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑu | koud |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ouderdagen | meervoud |
| ouderdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ouderdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van ouder zn en dag zn
Woordfamilie van ouderdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ouderdagen | meervoud | ouderdag |
| ouderdagje | verkleinwoord | ouderdag |
| ouderdagjes | verkleinwoord meervoud | ouderdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ouderdag zijn vastgelegd.