ossenboer
zelfstandig naamwoordBetekenis
- kleine, arme boer die een os in plaats van een paard gebruikt als trekdier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ossenboeren | meervoud |
| ossenboertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ossenboertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van os zn en boer zn met het invoegsel -en-
Woordfamilie van ossenboer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ossenboeren | meervoud | ossenboer |
| ossenboertje | verkleinwoord | ossenboer |
| ossenboertjes | verkleinwoord meervoud | ossenboer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ossenboer zijn vastgelegd.