ortolaan
zelfstandig naamwoordBetekenis
- lid van de familie der gorzen met groengrijze kop, in Nederland als broedvogel uitgestorven
zelfstandig naamwoord — masculine
- Emberiza hortulana lid van de familie der gorzen met groengrijze kop, in Nederland als broedvogel uitgestorven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ortolaantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ortolaantjes | verkleinwoord, meervoud |
| ortolanen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1730
Woordfamilie van ortolaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ortolaantje | verkleinwoord | ortolaan |
| ortolaantjes | verkleinwoord meervoud | ortolaan |
| ortolanen | meervoud | ortolaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ortolaan zijn vastgelegd.