ordinarius
zelfstandig naamwoordBetekenis
- gewoon hoogleraar aan een universiteit
- persoon met gewone bestuursmacht (kerkelijk: bisschop)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ordinarii | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gewoon hoogleraar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
Woordfamilie van ordinarius
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ordinarii | meervoud | ordinarius |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ordinarius zijn vastgelegd.