oculair
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- met betrekking tot het oog
- een lens of lenzenstelsel in een optisch instrument dat naar het oog van de kijker gericht is
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oculaire | verbogen, stellende trap |
| oculairs | partitief, stellende trap |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘oog-’ voor het eerst aangetroffen in 1524
Woordfamilie van oculair
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oculaire | verbogen vorm | oculair |
| oculairs | partitive, positive | oculair |
| oculairtje | woordvorm | oculair |
| oculairtjes | meervoud | oculair |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oculair zijn vastgelegd.