ochtend
zelfstandig naamwoordBetekenis
- deel van de dag tussen 6.00 en 12.00 uur
- de tijd rond of kort na het opstaan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ochtenden | meervoud |
| ochtendje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ochtendjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘(vroege) morgen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Woordfamilie van ochtend
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ochtenden | meervoud | ochtend |
| ochtendje | verkleinwoord | ochtend |
| ochtendjes | verkleinwoord meervoud | ochtend |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ochtend zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- ochtendappel
- ochtendbeurt
- ochtendblad
- ochtendbulletin
- ochtendeditie
- ochtendfile
- ochtendgebed
- ochtendgloren
- ochtendhumeur
- ochtendjas
- ochtendkrant
- ochtendkrieken
- ochtendlijk
- ochtendmens
- ochtendmist
- ochtendnevel
- ochtendpauze
- ochtendritueel
- ochtendschemering
- ochtendspits
- ochtendstond
- ochtendwandeling
- ochtendzon