nutten
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- van nut zijn
- gebruiken
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord nut
Vervoeging van nutten
nuttenhele werkwoord
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van nutten
Vervoeging van nutten
nuttenhele werkwoord
Woordfamilie van nutten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genut | woordvorm | nutten |
| genutte | woordvorm | nutten |
| nuttend | woordvorm | nutten |
| nuttende | woordvorm | nutten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nutten zijn vastgelegd.