notaris
zelfstandig naamwoordBetekenis
- jurist die bevoegd is om authentieke documenten op te maken, te bewaren en uit te geven
zelfstandig naamwoord — masculine
- jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken, te bewaren en uit te geven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| notarisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| notarisjes | verkleinwoord, meervoud |
| notarissen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘openbaar schrijver’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1290.
Woordfamilie van notaris
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| notarisje | verkleinwoord | notaris |
| notarisjes | verkleinwoord meervoud | notaris |
| notarissen | meervoud | notaris |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van notaris zijn vastgelegd.