noordelijk
bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- wat betreft het noorden, in het noorden gelegen
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| noordelijke | verbogen, stellende trap |
| noordelijker | onverbogen, vergrotende trap |
| noordelijkere | verbogen, vergrotende trap |
| noordelijkers | partitief, vergrotende trap |
| noordelijks | partitief, stellende trap |
| noordelijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| noordelijkste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noordelijken
- gebiedende wijs van noordelijken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noordelijken
Vervoeging van noordelijk
noordelijkhele werkwoord
Herkomst
afgeleid van noord met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
Woordfamilie van noordelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| noordelijker | vergrotende trap | noordelijk |
| noordelijkere | verbogen vergrotende trap | noordelijk |
| noordelijkers | partitieve vergrotende trap | noordelijk |
| noordelijks | partitive, positive | noordelijk |
| noordelijkst | uninflected, superlative | noordelijk |
| noordelijkste | inflected, superlative | noordelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van noordelijk zijn vastgelegd.