nazomer
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nazomers | meervoud |
| nazomertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| nazomertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van na vz en zomer zn
Woordfamilie van nazomer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nazomers | meervoud | nazomer |
| nazomertje | verkleinwoord | nazomer |
| nazomertjes | verkleinwoord meervoud | nazomer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nazomer zijn vastgelegd.