natuurpark
zelfstandig naamwoordBetekenis
- natuurgebied dat (van overheidswege) in zijn natuurlijke staat wordt gehandhaafd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| natuurparken | meervoud |
| natuurparkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| natuurparkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van natuur en park
Woordfamilie van natuurpark
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| natuurparken | meervoud | natuurpark |
| natuurparkje | verkleinwoord | natuurpark |
| natuurparkjes | verkleinwoord meervoud | natuurpark |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van natuurpark zijn vastgelegd.