nap
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een houten kom
- een diepe schotel
- dutje
- een dutje doen
- dag
- zon
- zonneschijn
zelfstandig naamwoord — masculine
- houten kom
- diepe schotel
- drinkbeker, drinkschaal obsolete
- kleine boot gebruikt bij de beugvisserij
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| napje | verkleinwoord, enkelvoud |
| napjes | verkleinwoord, meervoud |
| nappen | meervoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- tafellaken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| napje | verkleinwoord, enkelvoud |
| napjes | verkleinwoord, meervoud |
| nappen | meervoud |
Herkomst
zelfstandig naamwoord: Verwant met Oudsaksisch hnapp, Oudhoogduits hnapf, Angelsaksisch hnæpp, Oudnoords hnappr; buiten het Germaans met Italiaans nappo; verdere etymologie onzeker. In de betekenis van ‘beker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
zelfstandig naamwoord: Van Frans nappe
Woordfamilie van nap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| napje | verkleinwoord | nap |
| napjes | verkleinwoord meervoud | nap |
| nappen | meervoud | nap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nap zijn vastgelegd.