nachtkaars
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een kaars waarmee men naar bed gaat en die men kan laten opbranden
- middelste teunisbloem (Oenothera biennis) een bloem die in de avond opengaat
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- kaars waarmee men naar bed gaat en die men kan laten opbranden
- benaming voor bepaald soort plant, Oenothera biennis met een bloem die in de avond opengaat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nachtkaarsen | meervoud |
| nachtkaarsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| nachtkaarsjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van nacht zn en kaars zn
Woordfamilie van nachtkaars
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nachtkaarsen | meervoud | nachtkaars |
| nachtkaarsje | verkleinwoord | nachtkaars |
| nachtkaarsjes | verkleinwoord meervoud | nachtkaars |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nachtkaars zijn vastgelegd.