moratorium
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een uitstel van betaling
- (overdrachtelijk) het 'bevriezen' van de huidige situatie
zelfstandig naamwoord — neuter
- het 'bevriezen' van de huidige situatie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| moratoria | meervoud |
| moratoriumpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| moratoriumpjes | verkleinwoord, meervoud |
| moratoriums | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘uitstel (van betaling)’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van moratorium
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| moratoria | meervoud | moratorium |
| moratoriumpje | verkleinwoord | moratorium |
| moratoriumpjes | verkleinwoord meervoud | moratorium |
| moratoriums | meervoud | moratorium |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van moratorium zijn vastgelegd.