monseigneur
zelfstandig naamwoordBetekenis
- aanspreektitel voor een kardinaal, een bisschop of een prelaat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| monseigneurs | meervoud |
| monseigneurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| monseigneurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘titel van hoge geestelijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832
Woordfamilie van monseigneur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| monseigneurs | meervoud | monseigneur |
| monseigneurtje | verkleinwoord | monseigneur |
| monseigneurtjes | verkleinwoord meervoud | monseigneur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van monseigneur zijn vastgelegd.