monnikskap
zelfstandig naamwoordBetekenis
- kap van een monnikspij
- met de wind meedraaiende kap op een schoorsteen, een gek
- een geslacht van vaste planten uit de ranonkelfamilie (Ranunculaceae) waarvan de leden zeer giftig zijn en een kapvormig bovenste bloemblad hebben en waarvan sommigen o.a. worden gebruikt in zalven tegen zenuwpijnen
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Aconitum een geslacht van vaste planten uit de ranonkelfamilie (Ranunculaceae) waarvan de leden zeer giftig zijn en een kapvormig bovenste bloemblad hebben en waarvan sommigen o.a. worden gebruikt in zalven tegen zenuwpijnen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| monnikskapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| monnikskapjes | verkleinwoord, meervoud |
| monnikskappen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van monnik zn en kap zn met het invoegsel -s-
Woordfamilie van monnikskap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| monnikskapje | verkleinwoord | monnikskap |
| monnikskapjes | verkleinwoord meervoud | monnikskap |
| monnikskappen | meervoud | monnikskap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van monnikskap zijn vastgelegd.