mondstuk
zelfstandig naamwoordBetekenis
- dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mondstukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mondstukjes | verkleinwoord, meervoud |
| mondstukken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van mond en stuk
Woordfamilie van mondstuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mondstukje | verkleinwoord | mondstuk |
| mondstukjes | verkleinwoord meervoud | mondstuk |
| mondstukken | meervoud | mondstuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mondstuk zijn vastgelegd.