moederhuis
zelfstandig naamwoordBetekenis
- eerste klooster van een orde vanwaaruit andere kloosters zijn gesticht
- het klooster waar het bestuur van de orde of congregatie zetelt (zowel bij mannelijke als vrouwelijke religieuzen)
- moederbedrijf
- de centrale, federale overheid in contrast met overheid van de gewesten en gemeenschappen
- het originele huis waarvan een kopie gemaakt is
- kraamkliniek
- opvanghuis voor ongehuwde moeders
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| moederhuisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| moederhuisjes | verkleinwoord, meervoud |
| moederhuizen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van moeder zn en huis zn
Woordfamilie van moederhuis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| moederhuisje | verkleinwoord | moederhuis |
| moederhuisjes | verkleinwoord meervoud | moederhuis |
| moederhuizen | meervoud | moederhuis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van moederhuis zijn vastgelegd.