misselijkmakend
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- waarvan men (bij de gedachte alleen al) misselijk wordt
bijvoeglijk naamwoord
- waarvan men (bij de gedachte alleen al) misselijk wordt; heel vreselijk
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| misselijkmakende | verbogen, stellende trap |
| misselijkmakender | onverbogen, vergrotende trap |
| misselijkmakendere | verbogen, vergrotende trap |
| misselijkmakenders | partitief, vergrotende trap |
| misselijkmakends | partitief, stellende trap |
| misselijkmakendst | onverbogen, overtreffende trap |
| misselijkmakendste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
samenstelling van misselijk en makend
Woordfamilie van misselijkmakend
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| misselijkmakende | verbogen vorm | misselijkmakend |
| misselijkmakender | vergrotende trap | misselijkmakend |
| misselijkmakendere | verbogen vergrotende trap | misselijkmakend |
| misselijkmakenders | partitieve vergrotende trap | misselijkmakend |
| misselijkmakends | partitive, positive | misselijkmakend |
| misselijkmakendst | uninflected, superlative | misselijkmakend |
| misselijkmakendste | inflected, superlative | misselijkmakend |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van misselijkmakend zijn vastgelegd.