mimiek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- gezichtsuitdrukking
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mimieken | meervoud |
| mimiekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mimiekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kunst om door gebaren uitdrukkingen weer te geven’ voor het eerst aangetroffen in 1838
Woordfamilie van mimiek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mimieken | meervoud | mimiek |
| mimiekje | verkleinwoord | mimiek |
| mimiekjes | verkleinwoord meervoud | mimiek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mimiek zijn vastgelegd.